Schuld belijden

Inleiding:

'Word je daar vrolijk van?' Je zou zeggen van niet, maar Psalm 32 zegt van wel. Er zit een beweging in deze Psalm: van vernedering (vers 3-5) naar verheuging (vers 7, 11). Als we liever niet spreken over zonde en schuld, komen we uit bij een struisvogel-spiritualiteit. Dan weet je niet meer werkelijk wat het betekent om genade te ervaren. Psalm 32 is een leerdicht. God zelf geeft onderwijs. Hij zegt: ‘Wees geen ezel (vers 9), wees een bidder (vers 6).’ De Psalm zet in met twee zaligsprekingen: de leer van Psalm 32 begint op dezelfde manier als de leer in de Bergrede van Jezus: ‘Zalig de armen van geest!’ Heel persoonlijk is David in vers 3-5: hij gaat kapot aan zijn onbeleden zonden. Vers 6-7 vormen een oproep: ‘Mensen, wie u ook bent, als u worstelt met zonden in uw leven, verzwijg ze dan niet, maar belijd ze in gebed.’ Vers 8-9 onderstrepen het onderwijskarakter van de Psalm: hier valt echt wat te leren want God deelt zijn wijsheid met ons. De Psalm eindigt op verhoogde en verheugde toon (vers 10-11).

Vluchtwegen
David zei: ‘ik wil mijn overtredingen belijden.’ Vaak kiezen we voor andere manieren van omgang met onze zonden.
Vijf vluchtwegen:
1. We ontkennen onze zonde.
2. We geven een ander de schuld.
3. We verontschuldigen ons.
4. We gaan oppervlakkig om met onze schuld.
5. We verdringen onze schuld.
David zat vast in die laatste vluchtweg. Maar werd hij er vrolijk van? Nee: hij was er ziek van. Er is maar een werkelijk uitweg: je zonden belijden voor God. Dat is Gods wijsheid. En die wijsheid heeft een Naam: Christus. Jezus is de enige werkelijke Uitweg voor onze zonde en schuld.

Verootmoediging
Jezus zelf schildert ons al vertellend een beeld voor ogen van een werkelijk ootmoedig mens. De tegenhanger van de Farizeër, die huichelende heilige. De tollenaar ‘stond van verre’: ergens achteraf, alleen met God. Hij ‘wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel’: neergeslagen ogen, terneergebogen hoofd, vol schaamte. Hij ‘sloeg zich op de borst’: niet voor z’n hoofd, want dan zit je een voet te hoog; schuldbesef heeft met je hart te maken. En hij zei: ‘o God, wees mij, zondaar, genadig’: niet concreet, wel heel diep. Voor zulke mensen is Jezus gekomen: niet voor huichelende heiligen, maar voor zieke zondaars.

Vragen:

Wat zegt deze uitspraak u: ‘Jezus is de bron van onze ootmoed’? Hoe kunnen we groeien in ootmoed in onze onderlinge relaties? Denk eens door over deze uitspraak: ‘Als we als gelovige onze zonden niet belijden, dan sluiten we onszelf niet af van de genade (want we worden behouden door geloof in Christus, niet door het belijden van al onze zonden), maar wel van de vreugde van de genade.’